Reglement Bezwarencommissie Functiewaardering confessioneel BVE
Artikel 1 Begripsbepalingen
a. bevoegd gezag: het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat;
b. Centrales: de vakorganisaties voor overheids- en onderwijspersoneel als bedoeld in artikel 3.2.1 Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB);
c. Commissie: de externe bezwarencommissie functiewaardering als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Kaderbesluit Rechtspositie BVE, artikel D-16f CAO BVE met betrekking tot de invoering van FUWA BVE, en sinds 1 januari 2001 artikel D-16m CAO BVE;
d. functie: het samenstel van werkzaamheden dat door de werknemer krachtens zijn arbeidsovereenkomst moet worden verricht zoals vastgelegd in het functieboek van de instelling;
e. instelling: een instelling als bedoeld in de WEB;
f. werkdag: een dag waarop de instelling geopend is;
g. werknemer: degene die op grond van een arbeidsovereenkomst met het bevoegd gezag werkzaam is bij de instelling en die bij de Commissie in bezwaar is gekomen;
h.de Stichting: de Stichting Rechtspraak en Geschillenregeling ten behoeve van de bij de instandhoudende besturenorganisaties aangesloten leden uit het confessioneel BVE.
Artikel 2 Naam, instandhouding, taak, competentie
1. De Commissie draagt de naam 'Bezwarencommissie Functiewaardering confessioneel BVE'.
2. De Commissie is ingesteld door de Besturenraad Protestants Christelijk Onderwijs (Besturenraad PCO) en de Bond van Besturen van Katholiek Beroepsonderwijs en Voortgezet Onderwijs (Bond KBVO), daartoe gemachtigd door de bij de beide organisaties aangesloten bevoegde gezagsorganen van de confessionele BVE-instellingen.
3. De Commissie heeft tot taak een uitspraak te doen ter zake van een door een werknemer ingediend bezwaar.
Indien sprake is van de invoering van FUWA BVE heeft het bezwaar betrekking op de waardering, de wijze waarop ten aanzien van de werknemer de procedure is gevolgd en/of op de beschreven functie in relatie tot de aan de werknemer opgedragen werkzaamheden.
Indien sprake is van een beslissing in het kader van het onderhoud van het functiebouwwerk heeft het bezwaar betrekking op de waardering van de functie en/of de beschrijving van de functie in relatie tot de opgedragen werkzaamheden.
4. De Commissie toetst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De uitspraak van de Commissie is bindend voor partijen.
Artikel 3 Aansluiting
1. Bij de Commissie zijn Confessionele instellingen voor BVE aangesloten die ressorteren onder een rechtspersoon die is aangesloten bij de Besturenraad PCO of bij de Bond KBVO, tenzij het bevoegd gezag van een instelling schriftelijk aan de Besturenraad respectievelijk de Bond KBVO heeft verklaard dat de betreffende instelling niet is aangesloten bij de Commissie.
2. Andere instellingen dan die bedoeld in het eerste lid genoemde kunnen zijn aangesloten. De Stichting beslist op een verzoek om aansluiting van een andere instelling dan bedoeld in het eerste lid.
3. Middels een daartoe strekkend aangetekend schrijven aan de Besturenraad PCO respectievelijk de Bond KBVO kan de aansluiting van een instelling door het bevoegd gezag worden beëindigd. De beëindiging van de aansluiting ontslaat het bevoegd gezag niet van het nakomen van de op het ogenblik van de beëindiging reeds bestaande verplichtingen tegenover de Stichting.
Artikel 4 Samenstelling van de Commissie
1. De Commissie bestaat uit een voorzitter tevens lid en twee leden en hun plaatsvervangers. Een plaatsvervangend lid heeft zitting indien het lid wiens plaatsvervanger hij is, verhinderd is.
2. De voorzitter en diens plaatsvervanger worden benoemd door de Stichting op bindende voordracht van de leden van de Commissie.
3. Een lid en diens plaatsvervanger worden benoemd door de Stichting op bindende voordracht van de Centrales, en een lid en diens plaatsvervanger worden benoemd door de Stichting op bindende voordracht van de BVE-Raad.
4. De leden en plaatsvervangend leden van de Commissie dienen zich te kunnen verenigen met de identiteit van waaruit de instellingen werken. Van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter, van de twee leden en van de twee plaatsvervangend leden is telkens één van RK en één van PC huize.
5. De voorzitter, de leden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een termijn van zes jaar. Zij zijn terstond herbenoembaar voor een zelfde termijn.
6. Geen voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, lid, of plaatsvervangend lid kan zijn degene die de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt.
7. Geen voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, lid, of plaatsvervangend lid kan zijn degene die deel uitmaakt van een bevoegd gezag van een van de aangesloten instellingen, van het bestuur van de Stichting die de Commissie in stand houdt, van het bestuur van de Besturenraad PCO, van het bestuur van de Bond KBVO, of van het bestuur van een personeelsorganisatie aangesloten bij een van de Centrales voor overheids- en onderwijspersoneel dan wel in dienst is bij een van de hiervoor genoemde instellingen of organisaties.
8. In geval van tussentijds aftreden wordt terstond in de vacature voorzien. Een benoeming respectievelijk aanwijzing in een tussentijdse vacature duurt tot het tijdstip waarop de voorganger in verband met het verstrijken van de benoemingsperiode zou zijn afgetreden.
9. De secretaris van de Stichting draagt zorg voor de procedure met betrekking tot de benoeming en aanwijzing van de leden van de Commissie en de berichtgeving hiervan aan de bevoegde gezagsorganen van de aangesloten instellingen en de Centrales van overheids- en onderwijspersoneel.
Artikel 5 Secretariaat van de Commissie
1. De Commissie wordt bijgestaan door een secretaris, die geen deel uit maakt van de Commissie.
2. De secretaris ondersteunt de Commissie en draagt zorg voor een archief van de uitspraken en overige gegevens die voor de uitvoering van de taak van de Commissie van belang zijn. De secretaris organiseert en beheert het secretariaat en onderhoudt namens de Commissie contacten met derden.
Artikel 6 Het bezwaar
1. Een werknemer kan gemotiveerd in bezwaar komen bij de Commissie op grond van artikel D-16f CAO BVE in samenhang met de invoering van FUWA-BVE
· indien hij zich niet kan verenigen met het besluit van het bevoegd gezag genomen na ontvangst van het advies van de interne bezwarencommissie, of
· indien hij zich niet kan verenigen met het besluit van het bevoegd gezag waarbij het bevoegd gezag met betrekking tot een functie die afwijkt van de in de bijlage van de CAO BVE opgenomen ijkfuncties het advies volgt van de LAC (de Landelijke Advies Commissie FUWA BVE) of van een gelijkwaardige adviseur als bedoeld in de toelichting bij artikel D-15 CAO BVE 2001-2002.
De werknemer kan bezwaar maken tegen de waardering, de wijze waarop de procedure te zijnen aanzien is gevolgd en de beschreven functie in relatie tot de hem opgedragen werkzaamheden.
2. Een werknemer kan gemotiveerd in bezwaar komen bij de Commissie op grond van artikel D-16m CAO BVE indien hij zich anders dan in samenhang met de invoering van FUWA-BVE niet kan verenigen met de waardering van zijn functie dan wel met de beschrijving van zijn functie in relatie tot de opgedragen werkzaamheden. Alvorens bij de Commissie in bezwaar te komen kan de werknemer zijn bezwaren voorleggen aan de interne geschillencommissie als bedoeld in artikel B-8 CAO BVE.
3. Voor de indiening van het bezwaarschrift als bedoeld in het eerste lid van dit artikel geldt een termijn van tien werkdagen te rekenen vanaf de dag volgend op die waarop het schriftelijk besluit van het bevoegd gezag is verzonden.
4. Voor de indiening van het bezwaarschrift als bedoeld in het tweede lid van dit artikel geldt een termijn van zes weken te rekenen vanaf de dag volgend op die waarop het schriftelijk besluit van het bevoegd gezag is verzonden.
5. Bij verzending per post is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn door de Commissie is ontvangen.
6. Indien het bezwaarschrift na de daarvoor gestelde termijn is ingediend laat de Commissie niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de werknemer aantoont dat hij zo spoedig als redelijkerwijs verlangd kon worden bezwaar heeft ingesteld.
7. De werknemer dient bij de voorzitter van de Commissie een door hem of zijn raadsman ondertekend gemotiveerd bezwaarschrift in. Bij het bezwaarschrift worden gevoegd:
- een afschrift van het besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt;
- een beschrijving van de betreffende functie;
- een afschrift van de arbeidsovereenkomst;
- afschriften van de stukken die op het bezwaar betrekking hebben;
- de naam en het correspondentieadres van de werknemer en van het bevoegd gezag van de instelling waar de werknemer werkzaam is.
8. Indien het bezwaarschrift niet voldoet aan de eisen gesteld in het voorgaande lid nodigt de voorzitter de werknemer uit het bezwaarschrift aan te vullen binnen een daartoe door de voorzitter te bepalen termijn.
9. Alle bij de Commissie in te dienen stukken worden in zesvoud ingediend.
10. De secretaris van de Commissie zendt bericht van ontvangst aan de werknemer.
11. Indien het bezwaar kennelijk bij een andere Commissie moet worden aangebracht deelt de secretaris dit onverwijld aan de werknemer mee.
Artikel 7 Verweerschrift
De secretaris zendt een exemplaar van het bezwaarschrift met de daarbij behorende stukken aan het bevoegd gezag en
stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om binnen een termijn van vier weken schriftelijk verweer te voeren.
Bij het verweerschrift worden gevoegd:
· het advies van de interne bezwaren- respectievelijk geschillencommissie;
· het advies van de Landelijke Adviescommissie fuwa bve respectievelijk de door het bevoegd gezag geraadpleegde adviseur met betrekking tot de waardering van een niet-ijkfunctie, en
· het organisatieschema van de instelling.
Het bevoegd gezag dient het verweerschrift en de daarbij behorende stukken in zesvoud bij de Commissie in.
Na ontvangst van het verweerschrift zendt de secretaris een exemplaar met de daarbij behorende stukken aan de werknemer.
Artikel 8 Schriftelijke behandeling
De Commissie kan besluiten met goedvinden van de partijen tot schriftelijke behandeling van het bezwaar.
Artikel 9 Wraking en verschoning
1. Voor de behandeling ter zitting kan elk van de zittende leden van de bezwarencommissie door een of meer van de
bij het bezwaar betrokken partijen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden die het vormen van een onpartijdig oordeel door het betreffende lid zouden bemoeilijken. Ook kan op grond van zodanige feiten of omstandigheden een lid van de bezwarencommissie zich verschonen.
2. De andere zittende leden van de Commissie beslissen zo spoedig mogelijk of de wraking dan wel de verschoning
wordt toegestaan. Bij staking van de stemmen wordt het verzoek gehonoreerd.
Artikel 10 De mondelinge behandeling
1. De voorzitter van de Commissie bepaalt datum, plaats en uur van de mondelinge behandeling.
2. De behandeling van het bezwaar vindt plaats in een openbare zitting tenzij de Commissie op verzoek van een der partijen bepaalt dat de behandeling in een besloten zitting plaats vindt.
3. De werknemer en het bevoegd gezag worden voor de zitting schriftelijk opgeroepen. Zij kunnen zich door een gemachtigde laten vervangen of zich door een raadsman laten bijstaan. De Commissie kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
4. De Commissie kan ambtshalve of op verzoek van partijen getuigen en deskundigen oproepen.
5. Partijen kunnen getuigen en deskundigen ter zitting meebrengen met dien verstande dat zij de namen van die personen uiterlijk op de vierde dag voor de zittingsdatum schriftelijk opgeven aan de secretaris en de wederpartij.
6. De voorzitter heeft de leiding van de mondelinge behandeling. Hij geeft elk van de partijen de gelegenheid zijn standpunt toe te lichten.
Artikel 11 Beraadslaging en uitspraak
1. De Commissie oordeelt naar redelijkheid en billijkheid.
2. De Commissie beraadslaagt en beslist in raadkamer. Zij beslist bij meerderheid van stemmen.
3. De leden van de Commissie kunnen zich niet van stemming onthouden.
4. Uiterlijk binnen zes weken na de laatste zitting waarop het bezwaar behandeld is, doet de Commissie uitspraak. De uitspraak bevat de gronden waarop zij berust.
5. Binnen zes weken na vaststelling van de uitspraak zendt de voorzitter van de Commissie de uitspraak, ondertekend
door de voorzitter en de secretaris, bij aangetekend schrijven aan partijen.
Artikel 12 Termijnen
1. Op de in dit reglement genoemde termijnen is de Algemene termijnenwet van toepassing.
2. Voor de in dit reglement genoemde termijnen worden de periodes van de aan de betreffende instelling vastgestelde
vakanties niet meegerekend.
3. Indien door dwingende omstandigheden de Commissie niet in staat is geweest binnen de daarvoor gestelde termijn
een zitting te beleggen, deelt de secretaris dit na overleg met de voorzitter aan het bevoegd gezag en de werknemer mee en wordt zo spoedig mogelijk alsnog een zitting gehouden.
Artikel 13 Geheimhouding
De leden en de secretaris van de Commissie zijn verplicht tot geheimhouding van gegevens waarover zij bij de behandeling
van het bezwaar de beschikking krijgen en waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen dan wel redelijkerwijs moeten vermoeden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling volgt.
Artikel 14 Onvoorziene situaties
In gevallen waarin dit reglement niet voorziet beslist de voorzitter gehoord de overige leden van de Commissie.
Indien een van de drie zittende leden van de Commissie onverwacht verhinderd is en er vanwege de korte termijn geen plaatsvervanger beschikbaar is op de vastgestelde datum vindt de behandeling van het bezwaar plaats door de twee zittende leden mits de partijen hiermee instemmen.
Artikel 15 Wijziging van het reglement
1. Een voorstel tot wijziging van dit reglement kan bij de secretaris van de Stichting worden ingediend door:
a. een lid of een plaatsvervangend lid van de Commissie;
b. de Stichting;
c. de BVE-Raad;
d. de Centrales;
e. een bij de Commissie aangesloten werkgever.
2. De secretaris belegt acht weken na ontvangst van het voorstel een vergadering, waarvoor de persoon of organisatie
die het voorstel tot wijziging heeft gedaan, de leden en plaatsvervangend leden van de Commissie worden uitgenodigd.
Met de uitnodiging voor de vergadering wordt het wijzigingsvoorstel toegezonden.
3. Over het wijzigingsvoorstel beslissen de CAO-partijen, de Commissie gehoord hebbend.
4. De secretaris van de Stichting zendt tijdig voor de datum van ingang het gewijzigde reglement aan de bij de Commissie aangesloten instellingen.
Het gewijzigd reglement is vastgesteld door de Stichting op bindende voordracht van de CAO-partijen, de Commissie
gehoord hebbend, te 's-Gravenhage in de vergadering van 11 november 2002 en treedt in werking op 1 januari 2003.
versie 2003